Wet Werk en Zekerheid: wijziging van de WW

In deze serie artikelen houd ik u op de hoogte van de ontwikkelingen rondom de wet Werk en Zekerheid. ik zal proberen de vertaalslag te maken naar de praktijk: wat zijn de gevolgen, wat zijn de kansen en de bedreigingen? In het eerste artikel heb ik de achtergronden van de wet geschetst. In het tweede artikel de positie van de flexwerkers. In het derde artikel de voorstellen rondom de hervorming van het ontslagrecht en in dit laatste artikel de wijzigingen in de WW. Het is zeker niet mijn bedoeling volledig te zijn. Het gaat er veel meer om u bewust te maken van wat eraan komt.

Onderstaande wetgeving gaat in op 1 juli 2015.

WW wordt activerender

De regering ziet de WW graag als een trampoline naar nieuw werk in plaats van een vangnet. En om die trampoline wat krachtiger te maken zijn een aantal maatregelen voorzien. Een belangrijk instrument in het voorkomen van WW is het stimuleren van werk-naar-werk trajecten. De regering legt de uitvoering daarvan vooral bij de sociale partners en introduceert de transitievergoeding.

Een heel duidelijk ander doel is het beperken van langdurige werkloosheid. Om dat te bereiken worden twee relatief eenvoudige, maar waarschijnlijk doeltreffende, maatregelen ingezet:

Beperking van de maximale duur van de WW

Aanpassing van het begrip passende arbeid

In die laatste aanpassing is een wijziging verstopt die helaas nauwelijks aandacht gekregen: voortaan worden de inkomsten verrekend met de uitkering en niet meer het aantal uren. Dat zorgt ervoor dat het voortaan ook loont om lager betaald werk te accepteren.

Beperking van de maximale duur

De maximale duur van het recht op een WW-uitkering wordt bepaald door het opgebouwde arbeidsverleden. Nu leidt elk jaar arbeidsverleden tot verlenging van de WW-duur met één maand. Dit wordt aangepast. Gedurende de eerste tien jaar blijft de huidige opbouw van de uitkering gehandhaafd, namelijk één maand WW-uitkering per jaar arbeidsverleden. Voor de jaren daarna geldt dat elk jaar arbeidsverleden leidt tot een langere WW-duur van een halve maand. Het arbeidsverleden dat werknemers hebben opgebouwd vóór 2016 wordt gerespecteerd.

De maximale duur van de WW is nu nog 38 maanden. Met dit wetsvoorstel wordt dat beperkt tot maximaal 24 maanden. Sociale partners kunnen (zoals nu overigens ook het geval is) via cao-afspraken de verantwoordelijkheid nemen voor privaat gefinancierde aanvullingen op de WW, waardoor de opbouw en duur gelijk kunnen blijven aan de huidige situatie. Om van de huidige 38 maanden te komen 24 maanden, wordt de maximale duur met ingang van 2016 per kwartaal met één maand teruggebracht.

Passende arbeid

Aan het recht op een WW-uitkering zijn verschillende verplichtingen verbonden. Eentje hiervan is de verplichting om te proberen passende arbeid te vinden. Wat ‘passend’ is, staat beschreven in de Richtlijn passende arbeid. Uitgangspunt van deze richtlijn is dat naarmate iemand langer werkloos is, verwacht mag worden dat hij ook zoekt naar arbeid op een lager niveau.

In de huidige situatie mag iemand de eerste zes maanden van werkloosheid zoeken naar arbeid op hetzelfde niveau als die waaruit hij werkloos is geworden. Na zes maanden wordt ook arbeid op een lager opleidingsniveau als passend aangemerkt en na één jaar is alle arbeid passend. In het wetsvoorstel wordt de definitie van passende arbeid aangepast. Die aanpassing betekent dat al na zes, in plaats van de huidige twaalf maanden, alle arbeid als passend wordt aangemerkt.

Een heel belangrijke wijziging die volgens mij écht helpt is het afstappen van de verrekening in uren i.p.v. verrekening in geld bij het aannemen van ander werk. De WW kent nu namelijk de hoofdregel dat wanneer een werkloze (deels) gaat werken, het aantal uren dat hij werkt in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering. Dit leidt tot een lager totaal als een werknemer werk aanneemt met een loon dat lager is dan de hoogte van de uitkering. Om dit tegen te gaan en werkhervatting met een lager loon niet te ontmoedigen, wordt in het wetsvoorstel de urenverrekening vervangen door inkomensverrekening. Hierbij wordt een deel van de (extra) inkomsten in mindering gebracht op de uitkering. Met deze maatregel gaat een werkloze er voortaan altijd op vooruit als hij gaat werken.

Zekerheid of Schijnzekerheid?

In mijn vorige artikelen was mijn conclusie over de wijzigingen in het arbeidsrecht, dat de werknemer waarschijnlijk niet meer zekerheid gaat krijgen. Als de werknemer eenmaal in de WW zit, helpt de aanpassing in het arbeidsrecht hem niet meer. De aanpassingen in de WW zullen het effect hebben ‘van een schop onder je kont’, en dat lijkt me een zekerheid.

Marcel Reijmers is partner bij FlexKnowledge en is strategisch adviseur van o.a. Holland Payroll op het gebied van wet- en regelgeving, sectoraal verlonen, CAO’s en beloningsregelingen. Daarnaast is hij columnist voor FlexNieuws en eindredacteur van de FlexWijzer en de CAOWijzer. Reijmers heeft 20 jaar ervaring in de flexmarkt.